© 2013 Gitaarschool Niesten. Proudly created with Wix.com

    De geschiedenis van de gitaar, hoofdstuk 6

    De gitaar in de 18e eeuw

     

     

    Ondanks dat er bronnen enkele interessante aspecten vermelden, heerst er in de 18e eeuw een grote stilte rondom de gitaar. Uit Oostenrijk stamt een verzameling, waarin alles nog in tabulatuur staat genoteerd. Als meest opmerkelijke gegeven zien we hier voor het eerst de tremolo verschijnen.

    In Duitsland zijn wel wat op zichzelf staande bronnen, maar het is niet verbazingwekkend dat Jacob August Otto (1762-1830) in 1788 de introductie van de gitaar bespreekt.

     

    In Frankrijk getuigen de schilderijen van Watteau van de

    aanwezigheid van de gitaar, zoals hiernaast op Het

    Liefdeslied  is te zien.

    In het midden van de eeuw geeft een artikel in Diderot

    et Alembert's Encyclopedia aan dat er een hernieuwde

    belangstelling is, maar de gewone notatie wordt nog

    niet genoemd.

    Hernieuwde interesse leidde wel tot de uitgave van

    Michael Corrette's Les Dons d'Apollon (1763), waarin

    in het tweede hoofdstuk het gebruik van de G-sleutel

    als nieuw wordt besproken. Het genoteerde klinkt een

    octaaf lager, maar de stemvoering werd niet duidelijk

    gemaakt (geen polyfone notatie). Ditzelfde is te zien

    bij vroege notaties voor de 6-snarige gitaar.

    Uit Corrette's methode blijkt dat de 17e eeuwse compo-

    sities nog gespeeld werden. De Visee komen we overigens

    in de 19e eeuw nog tegen in een uitgave van Napoleon

    Coste (1805-1883).

     

    De plaats van de 5-korige gitaar, de barokgitaar, is daarom

    zo uniek, omdat waar de gitaar in de 16e eeuw nog

    bepaald was door de luit en de vihuela, in de barok de

    gitaar zijn eigen identiteit vond tussen de populaire

    (slag-akkoord) en de kunstmuziek. Vanaf de 19e eeuw

    volgen de composities voor gitaar de algemene muziek-

    historische ontwikkeling.

     

     

    Onderstaande lijst is een overzicht van de componisten die voor de gitaar werken hebben geschreven. Uit de bescheidenheid blijkt hoe weinig er in de 18e eeuw verschenen moet zijn.

    • Seixas, Carlos de (1704–1742) (Portugal)

    • Martini, Giovanni Battista (1706–1784) (Italy)

    • Galuppi, Baldassare (1706–1785) (Italy)

    • Benda, Georg (1722–1795) (Bohemia)

    • Soler, Padre Antonio (1729–1783) (Spain)

    • Dusek, Frantisek Xaver (1731–1799) Bohemia)

    • Fernando Ferandiere (ca. 1740 - ca. 1816) (Spain)

    • Cimarosa, Domenico (1749–1801) (Italy)

    • Porro, Pierre Jean (1750–1831) (France)

    • Philippe Valois (17??-17??) (France)

    • Christian Gottlieb Scheidler (1752-1815) (Germany)

    • Cherubini, Luigi (1760–1842) (Italy, France)

    • Antoine de Lhoyer (1768–1852) (France)

    • Molino, Francesco (1768–1847) (Italy)

    • Carulli, Ferdinando (1770–1841) (Italy, France)

    • Fossa, François de (1775–1849) (France)

    • Küffner, Joseph (1776–1856) (Germany)

    • Sor, Fernando (1778–1839) (Spain, France)

    • Aguado y Garcia, Dionisio (1784–1849) (Spain)

    • Diabelli, Anton (1781–1858) (Austria)

    • Giuliani, Mauro (1781–1829) (Italy)

    • Paganini, Niccolo (1782–1840) (Italy)

    • Weber, Carl Maria von (1786–1826) (Germany, UK)

    • Carcassi, Matteo (1792–1853) (Italy)

     

    Voor de gitaarliteratuur zijn de volgende componisten, met interessante studies en publicaties, belangrijk gebleken: Cimarosa, Carulli, Sor, Aguado, Giuliani en Carcassi. Hieraan is te zien dat er voornamelijk aan het begin van de 19e eeuw veel gecomponeerd werd voor de gitaar, wat de oogst uit de 18e eeuw nog schameler doet lijken.

     

    Naar het volgende hoofdstuk: De ontwikkeling van de gitaar in de 19e eeuw.