© 2013 Gitaarschool Niesten. Proudly created with Wix.com

    De geschiedenis van de gitaar, hoofdstuk 7

    De ontwikkeling van de gitaar in de 19e eeuw

     

     

    De 6-snarige gitaar en het verschijnen van het moderne instrument.

    De recente geschiedenis van de gitaar valt uiteen in twee fasen: in de eerste plaats de verandering van de 5-korige gitaar naar de 6-snarige gitaar. Later de toename van de grootte van de romp voor wat betreft het uiterlijk, en de waaierconstructie voor wat betreft het binnenwerk.

     

    De toevoeging van de 6e snaar en constructieverbeteringen.

    De waaierconstructie kan worden teruggevonden tot in de laatste jaren van de 18e eeuw. In die tijd veranderde ook de besnaring en net als bij de overgang van 4-korig naar 5-korig, is ook nu niet precies bekend wanneer de verandering naar 6-snrige gitaar plaats vond. De nogal ingewikkelde situatie toont geen enkele ontwikkelingslijn, er is wel bewijs dat in sommige centra de 5-korige gitaar zijn dubbele snaren verloor en ook dat eerst een 6e koor werd toegevoegd.

     

                                                                                Zes-korige gitaren (zoals hiernaast de Tielke uit 1693) bestonden incidenteel tijdens de periode van de 5-korige

                                                                                gitaar, maar gezien de stemming betekende dat nog geen uitbreiding van een snaar een kwart onder de 5e snaar.

                                                                                Op een zodanige wijze gestemde gitaren zag men voor het eerst in Spanje tegen 1780.

                                                                                In dat jaar 1780 publiceerde Antonio Ballesteros zijn Obra para guitarra de seis ordenes.  In 1799 trekt Frederico

                                                                                Moretti de aandacht, via zijn Principios para tocar la guitarra de seis ordenes, voor de afwezigheid van 6-korige

                                                                                gitaren in Italie. In Spanje werd de 6-snarige gitaar weliswaar algemeen

                                                                               (Aguado: Escuela de Guitarra, Madrid 1825), toch bleef het 6-korige instru-

                                                                               ment tot minstens 1836 in gebruik, gezien het feit dat een Engelsman in dat

                                                                               jaar rapporteerde dat de Spaanse gitaar dubbele snaren had.

     

                                                                               De reden voor het verlaten van de dubbelkorigheid was hoofdzakelijk het

                                                                               muzikale effect, maar praktische overwegingen speelden ook een rol. Wie

                                                                               voor de verandering verantwoordelijk is voor wat betreft Frankrijk en Italie

                                                                               is niet duidelijk.

                                                                               In Duitsland beweert Jacob Augustus Otto dat hij in opdracht van ene Naumann een 6-snarige gitaar gebouwd had,

                                                                               waarschijnlijk was hij het principe tegen gekomen in Italie, waar hij de gitaar bestudeerd had. Otto vermeldt ook dat

                                                                               de 5-snarige gitaar in 1788 door de hertogin Amalia von Weimar was geintroduceerd.

     

                                                                               Wanneer we de overgeleverde gitaren (die als 6-snarige gitaar gebouwd werden) uit de 18e eeuw in ogenschouw

                                                                               nemen, zien we dat er twee suggesties mogelijk zijn voor wat betreft het eerste ontstaansgebied: langs een Parijs-Marseille-Napels as en langs een Wenen-Napels as. Voorbeelden van gitaren uit de verschillende centra uit de jaren rond 1785 zijn: Montrou (1785, Frankrijk), Antonio Vinaccia (1785, Napels) en Michael Ignatius Stadlman (1787, Wenen).

     

    Mogelijk had ook de lyre-gitaar invloed op de verandering, daar deze vanaf het begin

    6 enkele snaren had (zie onder bij Ongewone gitaren).

     

    Twee instrumenten represenatief voor de overgangsperiode zijn een 6-korige gitaar van Jose Benedid (1800) en een 6-snarige door Giovanni Fabricatore (1798).

     

     

     

     

     

     

     

     

                                                                                           Het Benedid bovenblad strekt zich uit tot in de toets die slechts

                                                                                           elf frets heeft. De breedte van de twee rondingen zijn resp. 21,5

                                                                                           en 28,7 cm., slechts weinig meer dan de 5-korige gitaar.

                                                                                           De diepte van de romp, 9,7 tot 10,5 cm., is meer dan bij sommige

                                                                                           moderne gitaren, maar niet typisch voor de vroege 19e eeuw.

     

                                                                                           Hoewel de toets bij de Fabricatore gitaar bijna doorloopt tot aan

                                                                                           het klankgat, ligt deze gelijk met het bovenblad. Ook worden de

                                                                                           frets korter in de buurt van het klankgat, net als bij de 5-korige

                                                                                           gitaar. Waar de hals de romp raakt, bevindt zich het 10e fret. De

                                                                                           erfenis van vroegere gitaren is te zien aan de lage plaats van de

                                                                                           kam, waardoor de mensuur 64 cm. kon zijn, de versiering aan de

                                                                                           kameinden en de ingelegde ivoren randen op de hals en de hiel.

                                                                                           De diepte is slechts 6,5 - 8 cm., de breedte is als die bij Benedid,

                                                                                           hoewel de uitgerekt taille hem een slenkere verschijning geeft.

                                                                                           De kop heeft de rompvorm, zoals vaak in de 18e en 19e eeuw.

     

    De Benedid gitaar bevat de belangrijkste vernieuwing: de waaierconstructie. De onderkant van het bovenblad draagt twee balken, die straalsgewijs uitlopen vanaf het klankgat en boven dit klankgat bevindt zich een stervormig patroon van balkjes om het bovenste deel van het instrument dragender te maken. Er is ook een gitaar van Pages bekend, ondersteund door 4 balken in waaierpatroon. Zowel Pages als Benedid werkten in Cadiz, waarschijnlijk probeerden ze samen tot verbeteringen te komen.

     

     

     

     

     

    Voor deze tijd waren er slechts balken overdwars om de snaarspanning te weerstaan, deze dwarsbalken belemmeren echter de trilling van het bovenblad. Het belang van het waaiersysteem is, dat daar de balken meer de nerfrichting volgen, het bovenblad wel wordt gesteund, maar niet belemmerd.

    De waaierconstructie kan gezien worden als het vrijmaken van de luit; de Spaanse gitaren waren de eerste met een dergelijke constructie.

     

    Ondanks de vele variaties van de 5-korige gitaar in de 17e en 18e eeuw, waren er een aantal zaken algemeen: houten stemschroeven, een halslengte die slechts toereikend was voor 11 frets die meestal van darm, soms van ivoor of koper gemaakt waren. De hiel liep scherp toe naar het achterblad.

    Het bovenblad was zeer dun, zo'n 2 mm., en liep ongeveer 4 a 5 cm. door in de toets. De kam was laag op het bovenblad geplaatst, wat bij een totale lengte van 89 a 95 cm. toch een mensuur van 61 a 65 cm. mogelijk maakte.

    De snaren werden bevestigd door rechthoekige openingen in de kam. Bij de Diaz gitaar strekken deze zich uit tot het bovenblad, zodat deze kam een aantal voeten heeft (zoals de viool), vermoedelijk om de trillingsoverdracht te verbeteren. Deze kammen maakten twee snaarliggingen mogelijk, afhankelijk van het feit of ze direct door de gaten werden getrokken of eerst door de kam werden gevoerd.

    De romp was gewoonlijk licht getailleerd in de verhouding 7 : 6 : 8. De achterkant was plat of bol, in beide gevallen uit ribben samengesteld.

     

    Enkele luitverschijnselen verdwenen tijdens dit proces:

    - het uitgesneden rozet, het klankgat werd wat groter.

    - de lage kam-positie, naar het centrum van de onderste ronding.

    De verandering naar de 19e eeuw werd gecompleteerd door een aparte toets, doorlopend tot het klankgat, het gebruik van mechanieken en de plaatsing van de 12e fret op de scheiding van hals en romp.

    De verplaatsing van de kam veranderde de mensuur niet noemenswaardig, deze bleef 63 a 64 cm. Er werd een nieuwe type kam geintroduceerd, waarbij de snaren over een stut werden gevoerd en vastgemaakt in gaten in de kam en blad met houten pinnetjes. Hier komt de naam pinbrug vandaan. Genoemde stut was een ivoren strip, die het einde van het trillende gedeelte van de snaar bepaalde. Een soortgelijk systeem zien we tegenwoordig nog bij staalsnarige gitaren terug.

    Tenslotte accentueerden veranderingen in proportie van de romp de taille; de bovenste en onderste ronding werden breder, de taille nauwer.

     

    Het breken met de traditie wordt duidelijk geillustreerd door een gitaar

    door Louis Panormo, London 1833, met waaierconstructie met 7 stralen

    in de onderste ronding, uitlopend vanaf de dwarsbalk bij het klankgat.

    Panormo's bijdrage aan de Spaanse bouw zit hem in de verbeteringen

    van de waaierconstructie. Hij was DE bouwer in Engeland in de eerste

    helft van de 19e eeuw, Fernando Sor gaf hem soms adviezen.

    Diezelfde Sor schreef in het tijdschrift Giulianiad: "De constructie van de

    romp van het instrument is bijna overal buitengewoon goed begrepen en

    de meeste Napolitaanse, Duitse en Franse bouwers staan maar weinig

    superioriteit toe aan de Spaanse.

    Vroeger bouwde men in Napels betere rompen dan in Duitsland en

    Frankrijk, maar nu niet meer.

    Als ik een instrument nodig had zou ik het betrekken van Mr. Joseph

    Martinez in Malaga of van Mr. Lacote, een Franse bouwer, die naast

    talent ook getoond heeft de kwaliteit te bezitten niet onbuigzaam te

    zijn t.o.v. redelijk denken. De gitaren die altijd mijn voorkeur hadden,

    zijn die van Alonzo (Madrid), Pages en Benedid (Cadiz), Joseph en

    Manuel Martinez (malaga), of hun opvolger en leerling Ruda en Mr.

    Shroeder in Petersburg."

     

    In de andere landen van Europa werkte men meer of minder afhankelijk. De opvallende kenmerken van de noordelijke gitaren zijn de scherpere taillering en de rondingen die cirkels werden. In het zuiden werden ovalen geprefereerd. Er waren ook vernieuwingen die de tand des tijds niet doorstonden, zoald de mechanioeken die je aan de voorzijde niet zag en uitgeschulpte toetsen (Lacote)

    In 1822 verkreeg de Duitse vioolbouwer Staufer vergunning om in samenwerking met Ertel de gitaarconstructie te verbeteren. Twee van hun verbeteringen zijn het verheffen van de toets boven het bovenblad om een betere toon te verkrijgen, en het gebruik van een legering van koper, zilver en arsenicum voor de frets om de duurzaamheid te vergroten.

     

    Ongewone gitaren.

    De periode van verval na 1830 geeft aan dat de gitaar zich nog geen eigen plaats tussen de serieuze instrumenten had weten te verwerven. De ontevredenheid met het instrument wordt onder andere bewezen door het grote aantal varianten, die vaak enkel de naam gitaar nog gemeen hadden.

    Alexander Voboam bouwde overigens al in 1690 een soort tweelinggitaar, waarvan de ene zeer klein en de ander normaal van grootte was. Stauffer bouwde iets dergelijks in 1807.

    Vaak ook werden twee halsen aan een romp gebouwd, soms zelfs drie,

    zoals de harpo-lyre met 21 snaren, waarop Sor en Carcassi nog gespeeld hebben.

    Ondanks een gunstige ontvangst raakte dit instrument niet ingeburgerd.

     

    De verwijzing naar de oude lyre duidt een groep varianten aan, waarbij slechts de

    onderste helft van de gitaar werd gebruikt, de lyre-gitaar. Dit instrument, dat

    ook een gevolg was van de hernieuwde belangstelling voor de oudheid, had

    slechts een enkele hals, maar beide zijden van de klankkast liepen uit in een

    arm die zich soms weer samenvoegden aan de hals, aldus op de Griekse Lyre

    lijkend.

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Naast gitaren die meer bassnaren kregen, waren er ook die waren uitgerust met vaak ingenieuze bourdonsnaren. Ook zag men verschillen in grootte, zoals bij de terts-gitaar, quart-gitaar en quint-basgitaar. Er bestond zelfs een octavine.

    Generaal Thompson bouwde een enharmonische gitaar, die echter moeilijk bespeelbaar was. Iets heel anders weer is het tripodion van Aguado, een standaard waarin de gitaar tijdens het spelen stond.

    De ongewone gitaren speelden echter geen rol van betekenis in de ontwikkeling tot het tegenwoordige instrument.

     

    Naar het volgende hoofdstuk: Het moderne instrument.

    Gitaar uit ca.1785, vermoedelijke bouwer John Preston.

    Links een voorbeeld van een gitaar van Benedid, rechts van een exemplaar van Fabricatore.

    Voorbeeld van een waaierconstructie.

    Harpo-lyre.

    Lyre-gitaren.