© 2013 Gitaarschool Niesten. Proudly created with Wix.com

    De geschiedenis van de gitaar, hoofdstuk 9

    De gitaristen van de 19e eeuw

     

     

    Na de kalmte van de 18e eeuw ontstond er plotseling hernieuwde belangstelling voor de gitaar.

    In Spanje begon dit met het werk van de monnik Vader Basilio (eigen naam Miguel Garcia), die organist was in Madrid. Hij begon met gitaarspelen vanuit de punteado benadering, vooral om de gitaar uit zijn rol als begeleidingsinstrument te halen. Hiermee werd hij zo beroemd, dat Charles IV hem uitnodigde voor een optreden in de Escorial, waar hij in dienst van koningin Marie-Louise verbleef als gitaarleraar. Zijn invloed werd gevoeld door Don Frederico Moretti, die Basilio's stijl uitbreidde en zijn eigen methode publiceerde in 1799. In datzelfde jaar verscheen er ook een methode van een andere leerling van Basilio: Fernando Ferandiere - Arte de tocar la Guitarra espanola por musica.

    Deze gitaristen legden de basis voor de eerste 19e eeuwse opleving, die gestalte zou

    krijgen door het werk en het talent van mensen als Sor, Aguado en Giuliani die Europa

    voor het eerst in de ban van de gitaar zouden brengen.

     

     

     

     

     

     

     

     

    Fernando Sor.

    Sor werd geboren in Barcelona op 13 februari 1778. Zijn vader was een getalenteerd

    amateur gitarist maar wilde aanvankelijk een militaire of administratieve opleiding

    voor zijn zoon. De dood van zijn vader in 1790 doorkruiste deze plannen, maar Fernando

    kon zijn opleiding in het befaande klooster van Montserrat voortzetten en hij deed daar

    een uiterst degelijke muzikale kennis op.

    Op 17-jarige leeftijd verliet hij Montserrat om terug naar Barcelona te gaan waar hij de

    gitaar weer oppakte, mede onder invloed van Moretti's composities. Bovendien werd

    zijn belangstelling voor opera gestimuleerd door een Italiaans gezelschap aldaar en Sor

    componeerde zijn eerste opera Telemaco en la Isla de Calipso, die met veel succes in

    1797 in premiere ging. Kort daarna kreeg Sor de mogelijkheid om aan het hof te Madrid te komen als beschermeling van de Hertogin van Alva.

    Sor ontmoette daar componist Luigi Boccherini (1743 - 1805), die de gitaar lief had, maar de Spaanse volksmuziek niet bepaald waardeerde. Desondanks bevat zijn vierde gitaarkwintet een fandango met als voetnoot: "Quintet dat de fandango, zoals Padre Basilio die op de gitaar speelt, imiteert."

    Na de dood van de Hertogin van Alva in 1802, kwam Sor in dienst bij de Hertog van Medina-Celi. Hier genoot hij een grote vrijheid en schreef er ondermeer twee symfonien, drie strijkwartetten en een aantal liederen.

     

    Of Sor zich bij de komst van Napoleon en de periode erna niet juist heeft opgesteld is onzeker, in ieder geval ging hij in 1813 naar Frankrijk. Vanaf dat moment liet hij de S achter zijn naam (Sors) weg. Hij bleef twee jaar in Parijs, waar hij voor het eerst voor gitaar publiceerde. Een korte periode in Londen bracht hem terug in Parijs voor de opvoering van zijn ballet Cendrillon,                                                 dat veel succes oogstte, met meer dan honderd uitvoeringen.

    Sor vertrok naar Moskou en werd uitgenodigd in St. Petersburg, maar                                                 de beloofde bescherming van Keizerin Elisabeth bleef vanwege haar overlijden uit. Toch werd Sor opgedragen de doden-                                                       mars te spelen bij de bijzetting van Alexander I en kreeg hij vervolgens de opdracht een ballet te componeren. Dit werd Hercule                                                     et Omphale, zijn belangrijkste werk. In 1823 was Sor getrouwd met een danseres die meeging naar Rusland, maar niet                                                         met hem terugkeerde. Na zijn terugkeer naar Parijs, waar zijn ballet Le Sicilien ou l'amour peintre weinig succes had, maakte hij                                                         nog een korte trip naar Londen, om daarna in Parijs te blijven, waar hij in1839 stierf.

    In zijn laatste tijd in Parijs ontstond de band met Aguado waar hij                                                         het, ondanks zijn afkeer van het door Aguado voorgestane nagelspel, goed mee kon vinden. Het duo Les deux amis Op.41 is hier                                                  het beste bewijs van.

    Tijdens de laatste jaren van zijn leven trad Fernando Sor veel op en hij                                                 gaf daarnaast lessen. Tot zijn bekendste leerlingen hoort wel Napoleon Coste (1806 - 1883), wiens beloftevolle loopbaan gestopt                                                    werd door een armbreuk.

    Sor's dood aan tongkanker werd waarschijnlijk nog verhaast door de dood van zijn enige dochter Julia in 1838. Haar sterven had hem bijna tot krankzinnig- heid gebracht, zo groot was zijn verdriet.

     

    Sor is een van de belangrijkste gitaarcomponisten gebleven. Hij was de eerste die een soort pseudo-contrapuntische stijl ontwikkelde (Freistimmigkeit), waarbij stemmen vrijuit inzetten en ophouden en akkoordelementen verschijnen, wat belangrijk is omdat men op de gitaar slechts enkele stemmen tegelijkertijd kan spelen. Desondanks was het moeilijk voor gitaar een sonate met een goede doorwerking te componeren en trof Sor het verwijt teveel nieuw materiaal in die doorwerking nodig te hebben.

    Latere componisten, die niet meer zo aan de strenge sonatevorm gebonden waren, hebben geprofiteerd van Sor's pseudo-contrapuntische voorbeelden, die een instrumentale oplossing waren van een muzikaal idee, waarbij strenge regels overboord gezet konden worden.

    Latere gitaristen hebben geprofiteerd van het door Sor ontwikkelde positiespel, waarbij het beste klankresultaat voorop stond.

     

    Het muzikale denken van Sor was eerder symfonisch dan gitaristisch en hoewel tegenwoordig vaak anders benaderd, wars van lege virtuositeit. Misschien daarom dat hij het wat populariteit betreft net niet kon halen bij het grote publiek ten opzichte van zijn "rivaal" Mauro Giuliani. Deze benaderde de gitaar uiterst virtuoos, wat meer vanuit de (viool) linkerhand, alles meer in de 1e positie en door op de eerste snaar omhoog te spelen.

     

     

     

     

     

     

     

     

    Mauro Giuliani.

    Giuliani werd geboren in 1781 in het Italiaanse Bisceglia, maar tot zijn komst naar

    Wenen in 1806 is er weinig over hem bekend. Al spoedig maakte hij naam in de

    Oostenrijkse hoofdstad en hij speelde in 1808 voor een publiek waar Ludwig van

    Beethoven deel van uitmaakte. Rond 1813/14 was hij een van de vermaardheden

    voor voorstellingen van Beethoven's muziek, waarschijnlijk als cellist.

    In 1815 gaf hij samen met pianist Hummel en de violist Mayseder zogenaamde

    Dukaten Concerte, waarvoor de prijs van toegang een dukaat was.

    Op muzikaal gebied werd Giuliani verweten banaliteiten te gebruiken, lelijke goed-

    kope transcripties te schrijven, enzovoorts. Maar ook daarnaast rezen er problemen, want in 1819 ontvluchtte hij Wenen wegens een serie tegen hem gerichtte aanklachten. Hij ging naar Venetie en daarna naar Rome, omdat daar meer mogelijkheden voor recitals zouden zijn. Maar ook om dichter bij zijn dochter te zijn, die daar in een klooster haar opvoeding kreeg.

    In 1823 ging Giuliani, waarschijnlijk vanwege gezondheidsredenen, naar Napels waar hij een concert op de lyre-gitaar gaf. Twee jaar later trad hij op tesamen met zijn dochter Emilia, maar toen al werd zijn gezondheid minder. Zo kwam hij niet opdagen voor een solo-recital van Emilia en korte tijd later stierf hij, op

    8 mei 1829. Toen was de eerste bloeiperiode van de gitaar eigenlijk al ten einde.

     

    Andere vroeg 19e eeuwse gitaristen.

    Vooral veel Italian verwierven bekendheid als gitarist, maar dat gebeurde meestal buiten hun eigen land, zoals bij Ferdinando Carulli (Napels, later Parijs, 1770 - 1841) en Matteo Carcassi (Florence, later Parijs, 1792 - 1853).

    Wenen en Parijs waren aan het begin van de 19e eeuw de centra van het gitaarleven, met name Wenen, dat al een muziekcentrum was voordat Giuliani er kwam. Men hield er van kamermuziek en er bestond een zekere gitaartraditie in de huismuziek.

    Een zeer beroemde Italiaan die zich ook met de gitaar bezighield was Nicolo Paganini. Hij compo-

    neerde, op wat uitzonderingen na, nogal onbetekenende stukken (meestal in de gebroken

    akkoord-stijl), maar zijn enthousiasme schijnt later nogal bekoeld te zijn. In Parijs kreeg hij een

    gitaar te leen van de beroemde bouwer Grobert van Mirecourt, waarop hij zijn handtekening op

    het bovenblad plaatste. Later kwam dit instrument in het bezit van Hector Berlioz, die verrukt

    van de gitaar was, maar er niet op kon spelen en het dus moeilijk vond ervoor te componeren.

    Hij raadde beginnende componisten aan te kijken hoe gitaristen als Zani de Ferranti, Huerta

    en Sor het gedaan hadden.

    Toch zag ook Berlioz in dat de pianoforte de gitaar zou verdringen. Zo maakten bv. Franz

    Schubert en Luigi Boccherini, die beiden zelf niet speelden, een weinig grondig gebruik van de

    mogelijkheden van de gitaar in hun composities. Mede daardoor brak de gitaar niet echt door,

    misschien ook door het ontbreken van goede theoretische informatie.

    De enige informatie is te vinden is L'Harmonie applique a la Guitare van Carulli, maar dit werk is

    bedoeld voor amateurs die wilden begeleiden.

     

    Het repertoire uit deze eerste bloeiperiode beslaat veel werken, maar daar is ook veel

    clichematigs bij. Giuliani voorzag de wereld echter van een sprankelend concert voor gitaar en

    orkest. Veel materiaal is (zoals te verwachten bij een nieuw instrument) stduiemateriaal en het

    feit dat de etudes van Sor, Carcassi, Aguado en Coste nu nog gebruikt worden zegt voldoende over de waarde ervan.

     

    Tarrega, een nieuwe start.

    Francisco Tarrega werd in 1852 in Villareal geboren en stierf in 1909 in Barcelona.

    Hij studeerde piano aan het conservatorium van Madrid, maar ontwikkelde zich tot

    een meester op de gitaar, als vertolker en als pedagoog.

    Tarrega was de grondlegger van de moderne speeltechniek. De speelhouding met

    de gitaar op het door een voetenbankje hoger staande linkerbeen werd algemeen,

    het grotere Torres-model maakte dit dan ook mogelijk.

    Ook stond Tarrega het spelen van appuyando voor, met alle gebruikte vingers van de rechterhand. De pink mocht niet meer op het bovenblad staan, wat tot dan toe gebruikelijk was; de rechterhand moest in alle vrijheid boven het bovenblad hangen.

    Ook de nu consequent doorgevoerde verhoogde toets maakte de snaarligging ten opzichte van het bovenblad hoger, waardoor de ouderwetse houding onhandig werd. Uiteindelijk zou Tarrega terugkomen van het nagelspel.

    Buiten Spanje is Tarrega niet veel geweest, hij voelde zich in zijn thuisland dan ook het gelukkigst. Een vervelend probleem met in zijn ogen groeiende wimpers, waar regelmatig een ingreep door een oogarts voor nodig was, maakte reizen lastig. Hij componeerde een aantal werken voor gitaar, wat licht van karakter, maar indrukwekkender zijn de transcripties van werken van vooral Albeniz, die toegaf de bewerkingen van Tarrega soms beter te vinden dan zijn eigen composities.

     

    Onder de leerlingen van Tarrega vinden we Miguel Llobett (1878 - 1938), Maria Rita Brondi (1889 - 1941) en Emilio Pujol (1886 - 1980) die door hun recitals en onderzoekingen veel hebben bijgedragen aan de huidige status van de gitaar. Het meest verantwoordlijk hiervoor is echter Andres Segovia (zie hiervoor ook het volgende hoofdstuk en bij Gitaristen Klassiek), net als Luis Milan een autodidact.

     

     

    Naar het volgende hoofdstuk: De 20e eeuw.

    De Stefansdom in Wenen.