© 2013 Gitaarschool Niesten. Proudly created with Wix.com

    De geschiedenis van de gitaar, hoofdstuk 1

    De oudheid

     

    In de evolutie van prehistorische naar hogere beschavingen ligt ook de ontwikkeling van volks- en ritueel instrument, naar amusements- en kunstinstrument. Zo ontstaat de klasse van beroepsmusici waardoor technische en muzikale ontwikkeling werd gestimuleerd.

     

    Vanaf de oude tijden onderscheiden we vier typen snaarinstrumenten: lieren, harpen, citers en luiten.

    Verder gaat het hier enkel over de luitachtigen in de beschavingen van de oudheid: Soemerie en Babylonie (Mesopotamie), Egypte, Griekenland (en Rome en Eritrie) en Indie. Bij meerdere beschavingen is het vooral opvallend dat veel instrumenten aan het buitenland zijn ontleend. Het is typisch voor een hogere beschaving dat ze open staat voor vreemde denkbeelden en gereedschappen, en krachtig genoeg is deze op te nemen.

     

    Snaarinstrumenten waren de meest uitverkoren instrumenten in Mesopotamie. De luit komt hier voor op beeldjes vanaf ca.2000 voor Christus. Deze voorvaderen van de meeste tokkel- en strijkinstrumenten hadden kleine rompen, lange halzen en enkele frets. De twee snaren werden bespeeld met een plectrum en het instrument had geen stemschroeven.   

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    In Egypte werden tijdens het 'nieuwe rijk' in de 15e eeuw v.Chr., onder invloed van een totale muzikale smaakverandering, veel nieuwe instrumenten uit Azie ingevoerd. Hieronder bevond zich de luit. Waarschijnlijk werd het instrument enkel door vrouwen bespeeld. De romp was meestal ovaal en van hout, een omhullend vel deed dienst als klankbord. De lange steel doorboorde de romp in de lengte. Bij de meeste niet-Egyptische luiten stak de steel er aan het andere einde weer uit, maar in Egypte eindigde de steel binnen de romp en werd door korte dwarslatten op zijn plaats gehouden. De hals (of steel) doorboorde het vel op enkel plaatsen.

    Er was in het vel een driehoekige opening om de snaren door te laten die daar aan de steel vastgemaakt werden. Aan het andere eind werden ze om de steel gebonden en op hun plaats gehouden door riemen, die eindigden in kwasten. Meestal waren er twee snaren, soms drie of vier en die werden bespeeld met een plectrum. De linkerhand kon de toonhoogte veranderen door de snaren tegen de hals te drukken, waarop frets geplaatst waren.

     

    De Griekse muziek was bijna geheel geimporteerd en de lier was daar het voornaamste instrument. De poezie, en daarmee het gesproken woord, was uitgangspunt, en instrumentale muziek was ondergeschikt aan vocale muziek. De luit kwam in het oude Griekenland geheel overeen met die welke in West Azie en Egypte bestond. De Grieken noemden hem Pandura, afgeleid van het Soemerische pan-tur, wat 'boog-klein' betekent. Hiermee werd het verband met de oorspronkelijke muziekboog aangegeven. Luiten waren echter zeldzaam in Griekenland en het Romeinse Rijk.

     

    Naar het volgende hoofdstuk: Luitachtigen.

     

    Lierbespeler